Leven
Palamas werd op 13 januari 1859 geboren in Patras. Beide ouders stierven toen hij ongeveer zeven was, en hij werd naar Mesolongi gestuurd, de stad van het beroemde beleg van 1826, om door een oom te worden opgevoed. De lagune en de herinnering aan de Griekse Onafhankelijkheidsoorlog bleven hem zijn leven lang bij. In 1875 ging hij naar Athene om rechten te studeren aan de universiteit, maar hij gaf de rechten al snel op voor journalistiek en poëzie en schreef artikelen en recensies voor kranten om in zijn onderhoud te voorzien.
Zijn eerste bundel, Τα τραγούδια της πατρίδος μου (De liederen van mijn vaderland), verscheen in 1886, en met Georgios Drosinis en andere jonge schrijvers vormde hij wat nu de Nieuwe Atheense School heet, de generatie van 1880 die zich afkeerde van de stijve romantische verzen van de voorgaande decennia. In 1887 trouwde hij met Maria Valvi; ze kregen drie kinderen. De dood van de jongste, Alkis, in 1898 op vierjarige leeftijd leidde tot Ο Τάφος (Het graf), een cyclus van korte, eenvoudige klaagzangen. Vanaf 1897 was Palamas secretaris-generaal van de Universiteit van Athene, een post die hij ongeveer dertig jaar bekleedde, terwijl hij 's avonds schreef in zijn huis aan de Asklipiou-straat.
Hij was in 1926 medeoprichter van de Academie van Athene en werd in 1930 haar voorzitter, en hij werd vele malen genomineerd voor de Nobelprijs voor Literatuur zonder die te winnen. Hij stierf in Athene op 27 februari 1943, tijdens de Duitse bezetting, op vierentachtigjarige leeftijd.
Werk
Het gedicht dat de meeste mensen hebben gehoord zonder het te weten, is de Ολυμπιακός Ύμνος (Olympische hymne). Palamas schreef het voor de eerste moderne Olympische Spelen in Athene in 1896, Spyros Samaras zette het op muziek, en sinds 1958 is het het officiële volkslied van de olympische beweging, gespeeld bij elke openingsceremonie.
Zijn grote werken zijn lange gedichten die uit ideeën zijn opgebouwd. Ασάλευτη Ζωή (Onbeweeglijk leven, 1904) bevat lyrische reeksen over het oude Griekenland, het Griekse landschap en de taak van de dichter zelf. Ο Δωδεκάλογος του Γύφτου (De twaalf zangen van de zigeuner, 1907), gesitueerd rond de val van Constantinopel in 1453, volgt een zigeunermuzikant die achtereenvolgens werk, vaderland, religie en liefde afwijst en alleen in zijn kunst vrijheid en zin vindt. Η Φλογέρα του Βασιλιά (De fluit van de koning, 1910) is een Byzantijns epos: een fluit, gesneden uit het bot van een keizer, vertelt over de pelgrimstocht van Basileios II naar het Parthenon, toen een kerk van de Maagd, en verbindt het oude Athene, Byzantium en het moderne Griekenland tot één verhaal. Hij schreef ook de novelle Θάνατος παλληκαριού (Dood van een dappere jongeman, 1891) en het toneelstuk Τρισεύγενη (1903).
Zijn stijl is retorisch en muzikaal, met lange rijmende regels, geleerde verwijzingen en sterke ritmes, heel anders dan de droge stem van zijn tijdgenoot Kavafis. Zijn blijvende strijd was de taal: hij schreef in het demotisch, het gesproken Grieks, en verdedigde het decennialang tegen het katharevousa in essays en polemieken, en daarom presenteren schoolboeken hem als de dichter die het demotisch respectabel maakte.
Nalatenschap in het Griekenland van nu
Luister naar de Olympische hymne bij de volgende openingsceremonie: de Griekse woorden zijn van hem, en elke Griekse leerling leert de eerste regel, «Αρχαίο Πνεύμα αθάνατο». Zijn begrafenis op 28 februari 1943 is een van de verhalen van de bezetting: duizenden volgden de kist naar de Eerste Begraafplaats van Athene, de menigte zong het volkslied voor de ogen van Duitse en Italiaanse officieren, en Angelos Sikelianos las zijn gedicht «Ηχήστε οι σάλπιγγες» (Laat de trompetten schallen) voor, met de regel «op deze kist leunt Griekenland». Het korte gedicht dat hij in 1940 voor de Griekse jeugd schreef, «μεθύστε με τ' αθάνατο κρασί του Εικοσιένα» (bedrink u aan de onsterfelijke wijn van 1821), wordt bij elke schoolviering van 25 maart geciteerd. Zijn huis aan de Asklipiou 3 in Athene is de Kostis Palamas-stichting, en het huis waar hij opgroeide in Mesolongi is een klein museum; bijna elke Griekse stad heeft een Odos Palama.
Wist je dat?
- De Olympische hymne die hij in 1896 schreef, werd pas in 1958 als officieel volkslied van de Spelen aangenomen, vijftien jaar na zijn dood.
- Hij werd in de jaren twintig en dertig vele malen genomineerd voor de Nobelprijs voor Literatuur, vaker dan enige andere Griekse schrijver, en won nooit.
- Hij leidde ongeveer dertig jaar de administratie van de Universiteit van Athene terwijl hij enkele van de langste gedichten in het Nieuwgrieks schreef.
- Bij zijn begrafenis in 1943 zongen de rouwenden het Griekse volkslied als uitdaging aan de bezettingstroepen; de dag wordt herinnerd als het eerste massale protest van de bezetting.
Belangrijkste werken
| Griekse titel | Titel | Jaar |
|---|---|---|
| Τα τραγούδια της πατρίδος μου | De liederen van mijn vaderland | 1886 |
| Ολυμπιακός Ύμνος | Olympische hymne | 1896 |
| Ο Τάφος | Het graf | 1898 |
| Ασάλευτη Ζωή | Onbeweeglijk leven | 1904 |
| Ο Δωδεκάλογος του Γύφτου | De twaalf zangen van de zigeuner | 1907 |
| Η Φλογέρα του Βασιλιά | De fluit van de koning | 1910 |
Een zin om te onthouden
Αρχαίο Πνεύμα αθάνατο, αγνέ πατέρα / του ωραίου, του μεγάλου και του αληθινού, / κατέβα, φανερώσου κι άστραψε εδώ πέρα / στη δόξα της δικής σου γης και τ' ουρανού.
Archaio Pnevma athanato, agne patera / tou oraiou, tou megalou kai tou alithinou, / kateva, fanerosou ki astrapse edo pera / sti doxa tis dikis sou gis kai t' ouranou.
Oude onsterfelijke Geest, zuivere vader / van het schone, het grote en het ware, / daal neer, openbaar u en schitter hier / in de glorie van uw eigen aarde en hemel.