Leven
Ritsos werd op 1 mei 1909 geboren in Monemvasia, het vestingstadje op een rots voor de kust van de zuidelijke Peloponnesos, in een familie van grootgrondbezitters die in zijn jeugd alles verloor. Tuberculose en psychische ziekte troffen de familie: zijn broer en moeder stierven aan tuberculose, zijn vader en een zus werden opgenomen in psychiatrische inrichtingen, en Ritsos zelf bracht de jaren 1927 tot 1931 door in sanatoria. Hij kwam er als communist en dichter uit en publiceerde in 1934 zijn eerste bundel, Τρακτέρ (Tractor).
In mei 1936 toonde een krantenfoto een moeder die geknield zat bij haar zoon, door de politie doodgeschoten tijdens de staking van de tabaksarbeiders in Thessaloniki. Ritsos schreef Επιτάφιος in enkele dagen; in augustus verbrandde de nieuwe dictatuur van Metaxas het boek in het openbaar aan de voet van de Akropolis, naast de Tempel van de Olympische Zeus. Tijdens de bezetting sloot hij zich aan bij het linkse verzet, en na de burgeroorlog betaalde hij daarvoor: van 1948 tot 1952 werd hij vastgehouden in de strafkampen van Limnos, Makronisos en Ai Stratis, waar hij gedichten schreef en ze in flessen begroef.
De jaren 1950 en 60 waren zijn grote creatieve jaren, tot de kolonelsstaatsgreep van april 1967, toen hij opnieuw werd gearresteerd en naar de kampen op Gyaros en Leros werd gestuurd en daarna onder huisarrest op Samos werd geplaatst. Internationaal protest, onder meer van Louis Aragon en Pablo Neruda, hielp hem vrij te krijgen. In 1977 ontving hij de Lenin-Vredesprijs. Hij stierf op 11 november 1990 in Athene en werd begraven in Monemvasia.
Werk
Επιτάφιος (Epitaphios, 1936) is geschreven in de vijftienlettergrepige versregel van het Griekse volkslied en met de stem van de moeder: zij spreekt tot haar dode zoon over zijn wenkbrauwen, zijn haar, de lente die hij niet zal zien. In 1960 zette Theodorakis acht strofen op muziek, en de opname met Grigoris Bithikotsis, «Μέρα Μαγιού μου μίσεψες» (Op een meidag ging je van me heen), is het begin van het moderne Griekse populaire lied zoals we dat kennen. Ρωμιοσύνη (Romiosini, geschreven 1945–47), een lang gedicht over het Griekse volk, zijn bergen en zijn verzet, werd in 1966 door Theodorakis getoonzet: «Αυτά τα δέντρα δε βολεύονται με λιγότερο ουρανό» (Deze bomen kunnen niet toe met minder hemel) en «Όταν σφίγγουν το χέρι» (Wanneer ze hun vuist ballen) worden op elke politieke bijeenkomst gezongen.
Maar Ritsos schreef ook lange, stille dramatische monologen die niets met politiek te maken hebben. Η σονάτα του σεληνόφωτος (De Maneschijnsonate, 1956), bekroond met de Staatsprijs voor Poëzie, wordt uitgesproken door een ouder wordende vrouw in het zwart in een oud huis, die een jongeman vraagt of ze met hem mee mag lopen tot de hoek; Aragon prees het en maakte Ritsos zo bekend in Frankrijk. De monologen van Τέταρτη διάσταση (Vierde dimensie, 1972) geven een stem aan figuren uit de oude mythen, Orestes, Helena, Ismene, Persephone, als oude mensen die terugblikken. Daarnaast staan duizenden korte gedichten, vaak maar een paar regels, over een stoel, een raam, een steen, een gebaar, in enorm tempo geschreven; in totaal publiceerde hij meer dan honderd bundels, meer dan enige andere Griekse dichter. Zijn taal is eenvoudig en beeldend, dicht bij het gesproken Grieks, wat hem een goede dichter maakt om vroeg te lezen.
Nalatenschap in het Griekenland van nu
Luister eerst naar Επιτάφιος en Ρωμιοσύνη van Theodorakis; «Μέρα Μαγιού μου μίσεψες», «Αυτά τα δέντρα» en «Θα σημάνουν οι καμπάνες» (De klokken zullen luiden) horen bij het gemeenschappelijke Griekse liedrepertoire en worden gezongen op concerten, begrafenissen en demonstraties. Scholieren lezen fragmenten uit Ρωμιοσύνη en Η σονάτα του σεληνόφωτος op het lyceum. In Monemvasia draagt zijn huis, net binnen de hoofdpoort van de benedenstad, een gedenkplaat en een borstbeeld, en zijn graf ligt op de stadsbegraafplaats. Overal in Griekenland zijn straten naar Γιάννη Ρίτσου genoemd, en de steentjes die hij in zijn ballingschapsjaren met gezichten en figuren beschilderde, zijn vaak tentoongesteld. Hij is, met Kavafis (Kavafis/Cavafy), Seferis en Elytis, een van de vier Griekse dichters van de twintigste eeuw die elke Griek kan noemen.
Wist je dat?
- Epitaphios werd in augustus 1936, slechts enkele maanden na verschijning, door de dictatuur van Metaxas in het openbaar verbrand.
- In de strafkampen van 1948–52 schreef hij op elk stukje papier dat hij kon vinden en verstopte hij de gedichten in flessen die in de grond begraven lagen.
- Hij werd meermaals voorgedragen voor de Nobelprijs en ontving in 1977 de Lenin-Vredesprijs.
- Hij beschilderde kiezels, wortels en botten met gezichten en figuren; honderden van deze kleine werkjes zijn bewaard gebleven.
Belangrijkste werken
| Griekse titel | Titel | Jaar |
|---|---|---|
| Τρακτέρ | Tractor | 1934 |
| Επιτάφιος | Epitaphios | 1936 |
| Ρωμιοσύνη | Romiosini | 1954 (written 1945–47) |
| Η σονάτα του σεληνόφωτος | De Maneschijnsonate | 1956 |
| Τέταρτη διάσταση | Vierde dimensie | 1972 |
Een zin om te onthouden
Αυτά τα δέντρα δε βολεύονται με λιγότερο ουρανό, / αυτές οι πέτρες δε βολεύονται κάτου απ' τα ξένα βήματα
Afta ta dentra de volevontai me ligotero ourano, / aftes oi petres de volevontai katou ap' ta xena vimata
Deze bomen kunnen niet toe met minder hemel, / deze stenen voelen zich niet thuis onder vreemde voetstappen