Leven
Sarah Skinazi werd geboren in Constantinopel, waarschijnlijk rond 1895, al beweerde ze het grootste deel van haar loopbaan dat het 1910 was. Haar familie bestond uit arme sefardische joden, Spaanstalige afstammelingen van de uit Spanje verdreven joden, en kort na 1900 verhuisden ze via Komotini naar Thessaloniki. Daar begon het meisje, dat nauwelijks naar school was geweest, als danseres in de theaters en cafés van de stad. Rond 1913 liep ze weg met een jongeman uit een rijke familie, Giannis Zardinidis, en nam ze de naam Rosa aan; hij stierf enkele jaren later.
In de jaren twintig zong ze in de cabarets van Athene, en eind jaren twintig bracht de componist Panagiotis Toundas haar naar Columbia Records. Haar eerste platen verschenen in 1929, en binnen enkele jaren had ze zo'n driehonderd liedjes opgenomen, vaak met de oudspeler Agapios Tomboulis en de violist Dimitris Semsis. Op haar hoogtepunt had ze een exclusief contract voor veertig liedjes per jaar. Tijdens de Duitse bezetting, toen bijna alle joden van Thessaloniki werden gedeporteerd en vermoord, dreef ze een nachtclub in Athene, hielp ze onderduikers en werd ze in 1943 drie maanden gevangengezet.
Na de oorlog toerde ze vanaf 1952 langs de Griekse gemeenschappen in de Verenigde Staten, en in 1959 vestigde ze zich opnieuw in Athene. In de jaren zeventig ontdekte een nieuwe generatie haar oude platen; ze verscheen op televisie en gaf haar laatste concert in Patras in 1977. Ze stierf in Athene op 2 december 1980.
Werk

Eskenazi zong de muziek van de Griekse steden van Klein-Azië en Constantinopel, de zogeheten σμυρναίικο (Smyrna-stijl), en de vroege ρεμπέτικο (rebetiko) van Piraeus en Athene. Haar band was een caféband: viool, oud, santouri, gitaar, en daarboven haar stem, hoog, helder en vol versieringen, met de lange geïmproviseerde klaagzang die αμανές (amanes) heet. Ze zong in het Grieks, Turks, Armeens en Ladino, de taal van de sefardische joden, en wisselde er moeiteloos tussen, zoals de gemengde steden van haar jeugd hadden gedaan.
Haar repertoire was enorm. Ze nam volksliedjes op zoals Μαντήλι καλαματιανό (De sjaal uit Kalamata) en Κόφτηνε Ελένη την ελιά (Kap de olijfboom om, Eleni), caféliedjes zoals Η Μποέμισσα (Het bohémienne-meisje, ca. 1930) en Το καναρίνι (De kanarie), op muziek van de violist Dimitris Semsis, en ook ‘zware’ liedjes over hasj en drugs; een daarvan, Πρέζα όταν πιεις (Als je een snuifje neemt), werd eind jaren dertig onder de dictatuur van Metaxas gecensureerd. Wat haar platen uniek maakt, is hun vrijheid: ze zingt als iemand die aan een tafeltje een paar passen bij je vandaan optreedt, lachend, plagend en klagend tegelijk, en ze was een van de heel weinige vrouwen van haar tijd die in deze mannenwereld een ster werden.
Nalatenschap in het Griekenland van nu
De beste manier om Eskenazi te leren kennen is naar haar opnamen uit de jaren dertig te luisteren, die overal te vinden zijn en nog altijd een voorbeeld zijn voor elke zanger van rebetiko en Smyrna-lied; Griekse bands spelen haar repertoire vandaag in taverna's en op festivals. De documentaire Mijn lieve kanarie (Καναρίνι μου γλυκό) uit 2011 van de Israëlische regisseur Roy Sher volgt drie jonge muzikanten uit Griekenland, Turkije en Israël op zoek naar haar, en ging in première op het Documentairefestival van Thessaloniki. Haar memoires, Αυτά που θυμάμαι (Wat ik me herinner), samengesteld door Kostas Chatzidoulis, verschenen in 1982. Haar verhaal is ook een venster op de joodse wereld van Thessaloniki vóór de Holocaust.
Wist je dat?
- Het grootste deel van haar leven beweerde ze in 1910 geboren te zijn, zo'n vijftien jaar later dan in werkelijkheid.
- Halverwege de jaren dertig had ze bijna driehonderd liedjes opgenomen.
- Ze zong in het Grieks, Turks, Armeens en Ladino, de taal van de sefardische joden.
- Haar lied Πρέζα όταν πιεις werd door het regime van Metaxas gecensureerd.
Belangrijkste werken
| Griekse titel | Titel | Jaar |
|---|---|---|
| Πρώτες ηχογραφήσεις για την Columbia: «Μαντήλι καλαματιανό», «Κόφτηνε Ελένη την ελιά» | Eerste opnamen voor Columbia: De sjaal uit Kalamata; Kap de olijfboom om, Eleni | 1929 |
| Η Μποέμισσα | Het bohémienne-meisje | c. 1930 |
| Το καναρίνι | De kanarie (muziek van Dimitris Semsis) | 1930s |
| Πρέζα όταν πιεις | Als je een snuifje neemt (gecensureerd onder Metaxas) | 1930s |
| Αυτά που θυμάμαι | Wat ik me herinner (memoires, samengesteld door Kostas Hatzidoulis) | 1982 |
Een zin om te onthouden
Καναρίνι μου γλυκό
Kanarini mou glyko
Mijn lieve kanarie

























