Leven
Nossis kwam uit Lokroi Epizephyrioi, een Griekse kolonie aan de Ionische kust van het huidige Calabrië in Zuid-Italië. Bijna alles wat we over haar weten, komt uit haar eigen gedichten. Een grafschrift dat ze schreef voor Rhinthon van Syracuse, een auteur van komische stukken, is een van de aanwijzingen die haar werk in het begin van de 3e eeuw v.Chr. plaatsen, rond 300 v.Chr. Geboorte- en sterfdata zijn niet overgeleverd. De Latijnse spelling Nossis en het Griekse Νοσσίς duiden dezelfde dichteres aan; in Italië heet ze vaak Nosside.
Haar gedichten wijzen op een vrouw van enige stand. In een wijding aan Hera noemt ze haar moeder Theophilis en haar grootmoeder Kleocha, en volgt zo haar familie twee generaties terug langs de vrouwelijke lijn. De gave is een gewaad van fijn linnen, een kostbaar geschenk. Verscheidene gedichten spreken zelfverzekerd in de eerste persoon: Nossis noemt zichzelf, eist de gunst van de Muzen op en plaatst zichzelf naast Sappho van Lesbos.
Haar werk bleef bewaard omdat latere bloemlezers het waardeerden. Rond 100 v.Chr. nam Meleagros van Gadara haar op in zijn Krans, een bloemlezing waarin elke dichter met een bloem wordt vergeleken; hij zegt dat Eros zelf de was van haar schrijftafeltjes deed smelten. Later rekende Antipatros van Thessaloniki haar tot negen dichteressen en noemde haar θηλύγλωσσος (met een vrouwentong). Oudere theorieën dat ze een vrouwenkring leidde zoals die rond Sappho, blijven speculatie.
Werk

Nossis schreef epigrammen: korte gedichten in elegische disticha, een vorm die op graven en wijgeschenken begon en in de hellenistische tijd een literaire kunst werd. Ongeveer twaalf zijn bewaard in de boeken 5, 6, 7 en 9 van de Griekse Anthologie, in een literair Dorisch Grieks (bijvoorbeeld ἁ in plaats van ἡ voor ‘de’). De meeste zijn wijdingen. Bruttische krijgers laten hun schilden vallen onder de slagen van de Lokriërs, en de schilden hangen nu in de tempels van de goden; Samytha schenkt Aphrodite een versierde haarkap die naar nectar ruikt; Artemis wordt gevraagd naar Lokroi te komen en een vrouw die Alketis heet te verlossen van zware weeën.
Een tweede groep kijkt naar beelden. Nossis prijst geschilderde portretten van Melinna, Thaumareta, Kallo en Sabaithis om hun gelijkenis: Melinna’s gezicht lijkt op dat van haar moeder, en het huishondje van Thaumareta zou voor het schilderij kwispelen, in de veronderstelling dat het zijn meesteres zag. Een ander gedicht nodigt vrouwen uit een met goud versierd beeld van Aphrodite te bekijken, gewijd door Polyarchis. Deze gedichten schenken zeldzame aandacht aan vrouwen als schenksters, geportretteerden en toeschouwsters.
Onderzoekers lezen vaak twee gedichten als het kader van haar bundel. Het ene verklaart dat niets zoeter is dan de liefde: wie Aphrodite niet heeft liefgehad, weet niet wat voor bloemen rozen zijn. Het andere vraagt een vreemdeling die naar Mytilene vaart te vertellen dat het Lokrische land een vrouw baarde die de Muzen dierbaar was, en dat haar naam Nossis is.
Nalatenschap in het Griekenland van nu
Nossis heeft geen monument in Griekenland, maar haar gedichten staan in elke uitgave van de Griekse Anthologie, en ze wordt naast Sappho, Erinna en Anyte gelezen als een van de weinige oude Griekse dichteressen van wie volledige gedichten bewaard zijn. In Locri bewaren het Nationaal Archeologisch Museum en Park de stad die zij kende, met onder meer terracotta votiefplaatjes (pinakes) uit de 5e eeuw v.Chr., een ander soort offergave uit dezelfde stad. Begin voor een C1-oefening bij de geciteerde wijding en onze moderne Griekse weergave. Schrijf: Η Θευφιλίς προσφέρει στην Ήρα ένα λινό ένδυμα (Theophilis biedt Hera een linnen gewaad aan). Vervang daarna beide voorwerpen door voornaamwoorden: Της το προσφέρει (Ze biedt het haar aan). Beschrijf ten slotte een eigen cadeau in dezelfde twee stappen.
Wist je dat?
- Eén enkel gedicht van vier regels noemt Nossis, haar moeder Theophilis en haar grootmoeder Kleocha.
- Antipatros van Thessaloniki noemde zijn negen dichteressen negen aardse Muzen, tegenhangers van de negen van de hemel.
- In een epigram stelt men zich voor dat een huishondje een geschilderd portret begroet alsof het zijn meesteres is.
- Haar grafschrift voor de komediedichter Rhinthon is een van de aanwijzingen om haar te dateren.
Belangrijkste werken
| Griekse titel | Titel | Jaar |
|---|---|---|
| Ἅδιον οὐδὲν ἔρωτος (Ἑλληνικὴ Ἀνθολογία 5.170) | Niets is zoeter dan de liefde — Griekse Anthologie 5.170 | ? |
| Ἔντεα Βρέττιοι ἄνδρες (Ἑλληνικὴ Ἀνθολογία 6.132) | De schilden van de Bruttiërs (wijding) — Griekse Anthologie 6.132 | ? |
| Ἥρα τιμήεσσα (Ἑλληνικὴ Ἀνθολογία 6.265) | Een linnen gewaad voor Hera (wijding) — Griekse Anthologie 6.265 | ? |
| Θαυμαρέτας μορφάν (Ἑλληνικὴ Ἀνθολογία 9.604) | Het portret van Thaumareta — Griekse Anthologie 9.604 | ? |
| Ὦ ξεῖν’, εἰ τύ γε πλεῖς (Ἑλληνικὴ Ἀνθολογία 7.718) | Aan een vreemdeling die naar Mytilene vaart — Griekse Anthologie 7.718 | ? |
Een zin om te onthouden
δέξαι βύσσινον εἷμα, τό τοι μετὰ παιδὸς ἀγαυᾶς Νοσσίδος ὕφανεν Θευφιλὶς ἁ Κλεόχας.
In het Grieks van nuΔέξου το λινό ένδυμα που ύφανε για σένα η Θευφιλίς, η κόρη της Κλεόχας, μαζί με την ευγενική της κόρη, τη Νοσσίδα.
déxai býssinon heîma, tó toi metà paidòs agauâs / Nossídos hýphanen Theuphilìs ha Kleóchas.
Aanvaard dit linnen gewaad, dat Theophilis, dochter van Kleocha, samen met haar edele dochter Nossis voor jou heeft geweven.











































