Kies een taal

grecfacilegrecfacile
Beginnen

De 30 meest gebruikte Griekse werkwoorden, met verleden tijd

De 30 nuttigste Griekse werkwoorden met tegenwoordige en verleden tijd, de twee vervoegingsfamilies, είμαι en έχω vervoegd, en ik wil... zeggen met θέλω να.

Chrysanthi SakkaDocente Grieks als vreemde taal · Genève · Niveaus A1–C2 · Bijgewerkt op 24 okt 2026 · 6 min leestijd Bekijk profiel en prijzen →
De 30 meest gebruikte Griekse werkwoorden, met verleden tijd

Een paar dozijn werkwoorden vormen een groot deel van het alledaagse Grieks. Leer deze dertig met hun tegenwoordige en verleden tijd, en je kunt al vertellen wat je doet, wat je gedaan hebt en wat je wilt doen. Griekse woordenboeken geven werkwoorden in de eerste persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd ("ik schrijf"), niet als infinitief: het Nieuwgrieks heeft er geen. In de transcriptie geeft het accent de beklemtoonde lettergreep aan; ch klinkt als de ch in "lachen", d als de Engelse th in "this", th als de Engelse th in "think".

Tegenwoordige tijd (ik...)UitspraakBetekenisVerleden tijd (ik ...de)
είμαιímezijnήμουν (ímun)
έχωéchohebbenείχα (ícha)
κάνωkánodoen, makenέκανα (ékana)
θέλωthélowillenθέλησα (thélisa)
μπορώborókunnenμπόρεσα (bóresa)
πάω / πηγαίνωpáo / piyénogaanπήγα (píga)
έρχομαιérchomekomenήρθα (írtha)
λέωléozeggen, vertellenείπα (ípa)
ξέρωxéroweten, kennenήξερα (íxera)
βλέπωvlépozienείδα (ída)
τρώωtróoetenέφαγα (éfaga)
πίνωpínodrinkenήπια (ípia)
δίνωdínogevenέδωσα (édosa)
παίρνωpérnonemenπήρα (píra)
βρίσκωvrískovindenβρήκα (vríka)
μιλάωmiláosprekenμίλησα (mílisa)
αγαπάωagapáohouden vanαγάπησα (agápisa)
ρωτάωrotáovragenρώτησα (rótisa)
ακούωakúohoren, luisterenάκουσα (ákusa)
καταλαβαίνωkatalavénobegrijpenκατάλαβα (katálava)
μένωménowonen, blijvenέμεινα (émina)
δουλεύωdulévowerkenδούλεψα (dúlepsa)
γράφωgráfoschrijvenέγραψα (égrapsa)
διαβάζωdiavázolezen, studerenδιάβασα (diávasa)
αγοράζωagorázokopenαγόρασα (agórasa)
πληρώνωplirónobetalenπλήρωσα (plírosa)
φεύγωfévgovertrekken, weggaanέφυγα (éfiga)
μαθαίνωmathénolerenέμαθα (ématha)
κοιμάμαιkimámeslapenκοιμήθηκα (kimíthika)
σκέφτομαιskéftomedenkenσκέφτηκα (skéftika)

De kolom verleden tijd geeft de aorist, de enkelvoudige verleden tijd voor een afgeronde handeling (έγραψα = ik schreef). Drie werkwoorden hebben geen aorist en gebruiken in plaats daarvan hun duratieve verleden tijd: ήμουν (ik was), είχα (ik had), ήξερα (ik wist). Voor θέλω is het alledaagse "ik wilde" meestal ήθελα. Veel van de meest gebruikte werkwoorden zijn onregelmatig in de verleden tijd (πήγα, ήρθα, είπα, είδα, έφαγα, ήπια), dus leer ze vanaf het begin als paren. De grammaticales over de aorist legt de regelmatige patronen uit.

Griekse werkwoordvervoeging: de twee families

Bijna elk Grieks werkwoord in de tegenwoordige tijd hoort bij een van twee families, afhankelijk van waar de klemtoon valt in de woordenboekvorm.

Familie A: klemtoon op de stam (γράφω)

γράφω, γράφεις, γράφει, γράφουμε, γράφετε, γράφουν (ik schrijf, jij schrijft, hij/zij schrijft, wij schrijven, jullie schrijven, zij schrijven). De meeste werkwoorden in de lijst volgen dit patroon: κάνω, θέλω, έχω, βλέπω, πίνω, μένω, δουλεύω... Zie de tegenwoordige tijd.

Familie B: klemtoon op de uitgang (μιλάω, μπορώ)

  • Werkwoorden op -άω: μιλάω (of μιλώ), μιλάς, μιλάει (of μιλά), μιλάμε, μιλάτε, μιλάνε (of μιλούν). Ook αγαπάω, ρωτάω, πάω.
  • Werkwoorden op -ώ: μπορώ, μπορείς, μπορεί, μπορούμε, μπορείτε, μπορούν.

De grammaticales over de tweede vervoeging behandelt beide groepen uitgebreid.

Werkwoorden op -μαι

Een derde, kleinere groep eindigt op -μαι: έρχομαι, κοιμάμαι, σκέφτομαι. Ze hebben passieve uitgangen maar een gewone actieve betekenis: έρχομαι, έρχεσαι, έρχεται, ερχόμαστε, έρχεστε, έρχονται (ik kom, jij komt...).

Είμαι en έχω: zijn en hebben in het Grieks

Persoonείμαι (ik ben)ήμουν (ik was)έχω (ik heb)είχα (ik had)
ikείμαι (íme)ήμουνέχω (écho)είχα
jijείσαι (íse)ήσουνέχεις (échis)είχες
hij, zij, hetείναι (íne)ήτανέχει (échi)είχε
wijείμαστε (ímaste)ήμαστανέχουμε (échume)είχαμε
jullie / uείστε (íste)ήσαστανέχετε (échete)είχατε
zij (mv.)είναι (íne)ήτανέχουν (échun)είχαν

Het Grieks laat het onderwerp meestal weg, omdat de uitgang de persoon al aangeeft: είμαι από την Ελβετία (ik kom uit Zwitserland), έχουμε δύο παιδιά (we hebben twee kinderen). Merk op dat είναι zowel "hij/zij/het is" als "zij zijn" betekent. Oefen beide werkwoorden met de grammaticales over είμαι en έχω en de oefening είμαι en έχω.

"Ik wil..." zeggen in het Grieks: θέλω να

Omdat het Grieks geen infinitief heeft, wordt "ik wil gaan" tot "ik wil dat ik ga": θέλω να πάω. Na να krijgt ook het tweede werkwoord een persoonsuitgang: θέλεις να έρθεις; (wil je komen?), θέλουμε να φάμε (we willen eten). Verandert het onderwerp, dan verandert alleen het tweede werkwoord: θέλω να έρθεις = ik wil dat jij komt.

Voor een eenmalige handeling gebruikt het werkwoord na να de aoriststam. Voor veelgebruikte werkwoorden loont het om deze vormen uit je hoofd te leren:

Werkwoordθέλω να...Betekenis
πάωθέλω να πάωik wil gaan
έρχομαιθέλω να έρθωik wil komen
λέωθέλω να πωik wil zeggen
βλέπωθέλω να δωik wil zien
τρώωθέλω να φάωik wil eten
πίνωθέλω να πιωik wil drinken
παίρνωθέλω να πάρωik wil nemen
μαθαίνωθέλω να μάθωik wil leren
αγοράζωθέλω να αγοράσωik wil kopen
μιλάωθέλω να μιλήσωik wil spreken

Voor een gewoonte of herhaalde handeling houd je de presensstam: θέλω να διαβάζω κάθε μέρα (ik wil elke dag lezen) tegenover θέλω να διαβάσω αυτό το βιβλίο (ik wil dit boek lezen). Dezelfde constructie werkt na μπορώ να (ik kan), πρέπει να (ik moet; πρέπει verandert nooit) en μου αρέσει να (ik vind het leuk om): μπορώ να πληρώσω με κάρτα;, πρέπει να φύγω. En dezelfde vormen geven je de toekomende tijd met θα: θα πάω (ik zal gaan), θα φάμε (we zullen eten), uitgelegd in gisteren en morgen: πήγα, θα πάω.

Griekse werkwoorden efficiënt leren

  • Leer drie vormen tegelijk: tegenwoordige tijd, verleden tijd en de vorm na να (πάω, πήγα, να πάω). De toekomende tijd krijg je er dan gratis bij: θα πάω.
  • Begin met de onregelmatige reuzen. είμαι, έχω, κάνω, πάω, λέω, βλέπω en τρώω komen in bijna elk gesprek voor.
  • Leer werkwoorden in korte zinnen, niet los: πίνω καφέ, μένω στη Ζυρίχη, δεν καταλαβαίνω.
  • Drill de uitgangen met werkwoorden op -άω, het werkwoord κάνω en werkwoorden op -μαι, en herhaal daarna de woordenlijst basiswerkwoorden.

Veelgestelde vragen

Wat is het meest gebruikte werkwoord in het Grieks?

είμαι (zijn) en έχω (hebben), op de voet gevolgd door κάνω (doen, maken), dat ook in veel vaste uitdrukkingen voorkomt: τι κάνεις; (hoe gaat het?), κάνει κρύο (het is koud).

Waarom hebben Griekse werkwoorden geen infinitief?

De oude infinitief is geleidelijk verdwenen en vervangen door να + werkwoord. Waar het Nederlands "gaan" zegt, zegt het Grieks dus να πάω, να πας, να πάει, afhankelijk van wie er gaat.

Zijn Griekse werkwoorden moeilijk te leren?

De tegenwoordige tijd is regelmatig en kent maar twee hoofdpatronen. De verleden tijd vraagt meer moeite, omdat de meest gebruikte werkwoorden onregelmatig zijn, maar het zijn er niet veel, en je komt ze elke dag tegen.

Is het μιλάω of μιλώ?

Beide zijn correct. μιλάω komt vaker voor in spreektaal, μιλώ is iets korter en formeler. Hetzelfde geldt voor αγαπάω / αγαπώ en ρωτάω / ρωτώ.

Deze werkwoorden worden stap voor stap aangeleerd, met audio en oefeningen, in onze gratis A1-cursus Grieks.

Klaar om καλημέρα te zeggen?

Begin gratis — zonder account of creditcard.

Aan de slag!